- Tous les produits
- Sierplanten
- Sierstruiken
- Bladverliezend
- CORNUS ALTERNIFOLIA
- Bladverliezend
Pagodekornoelje (Cornus alternifolia) groeit uit tot een forse struik of kleine boom met vrijwel horizontale takken die in herkenbare etages boven elkaar staan. De brede, afgeplatte groeiwijze vraagt voldoende ruimte en komt het duidelijkst tot uiting wanneer de plant vrij kan uitgroeien.
In mei en juni verschijnen schermvormige trossen met kleine, crèmewitte bloemen. Later volgen blauwzwarte vruchten aan opvallend rode vruchtsteeltjes. Ze vormen voedsel voor vogels. Het groene blad staat, anders dan bij de meeste kornoeljes, verspreid langs de twijgen. In de herfst kan het roodachtig tot paars verkleuren.
Cornus alternifolia groeit het best in een humusrijke, frisse maar goed doorlatende bodem. Een licht zure tot neutrale grond en een standplaats in de zon of halfschaduw zijn geschikt. Langdurige droogte en hete, sterk uitdrogende plaatsen worden minder goed verdragen. Een mulchlaag helpt om de bodem tijdens droge zomers koeler en gelijkmatig vochtig te houden.
Snoei is doorgaans niet nodig en kan de natuurlijke etagevorm verstoren. Beperk ingrepen tot het verwijderen van beschadigde of verkeerd geplaatste takken. Door zijn brede habitus is deze soort vooral geschikt als solitaire struik of kleine boom in een ruime tuin, aan een bosrand of in een losse beplanting.
Reken op een forse struik of kleine boom die onder gunstige omstandigheden ongeveer even breed als hoog kan worden. De horizontale takken hebben vrije ruimte nodig om de kenmerkende etagevorm te ontwikkelen. Voor een smalle border of kleine stadstuin is de soort daarom minder geschikt. Plant hem bij voorkeur als solitair of aan de rand van een ruimere beplanting, zonder snelgroeiende struiken vlak naast de kroon.
Droge zandgrond is alleen geschikt wanneer ze vooraf met organisch materiaal wordt verbeterd en tijdens droge perioden voldoende vocht krijgt. Pagodekornoelje verkiest een frisse, humusrijke bodem die water vasthoudt zonder langdurig nat te blijven. Vooral jonge planten zijn gevoelig voor uitdroging. Een mulchlaag van compost of bladaarde beperkt vochtverlies, maar mag niet tegen de stam worden opgehoopt.
Een pagodekornoelje hoeft normaal niet regelmatig gesnoeid te worden. Sterke inkorting verstoort de horizontale taklagen die het karakter van de plant bepalen. Verwijder uitsluitend dood, beschadigd of kruisend hout en werk zo veel mogelijk terug tot aan een natuurlijke vertakking. Houd bij de aanplant meteen voldoende ruimte vrij; daarmee wordt later vormsnoei grotendeels vermeden.
De hoofdtakken groeien bijna horizontaal en staan op verschillende hoogtes rond de stam of hoofdstengels. Daardoor ontstaan brede, afgeplatte taklagen die aan de verdiepingen van een pagode doen denken. Deze structuur wordt duidelijker naarmate de plant ouder wordt en vrij kan uitgroeien. Concurrentie van naburige bomen of eenzijdige schaduw kan de kroon minder regelmatig maken.
De blauwzwarte vruchten worden niet als consumptiefruit geteeld en worden beter niet gegeten. Hun voornaamste betekenis in de tuin is sierwaarde en voedsel voor vogels. Ze verschijnen na een geslaagde bestuiving en vallen extra op door de rood gekleurde vruchtsteeltjes. De hoeveelheid vruchten kan per jaar verschillen door bloeiomstandigheden, bestuiving en standplaats.