- Tous les produits
- Sierplanten
- Bodembedekkers
- ARUNCUS AETHUSIFOLIUS
- Bodembedekkers
Compacte geitenbaard met fijn blad
Dwerggeitenbaard (Aruncus aethusifolius) blijft met ongeveer 20 tot 30 cm duidelijk lager dan de meeste andere geitenbaarden. De plant vormt compacte pollen van fijn ingesneden, varenachtig groen blad. Rond de vroege zomer verschijnen kleine, roomwitte bloempluimen boven het loof.
In het najaar verkleurt het blad naar bronsrode, donkerrode of oranjerode tinten. De plant is bladverliezend en sterft bovengronds af wanneer de winter nadert.
Standplaats en toepassing
Deze soort groeit het best in halfschaduw, op een humusrijke bodem die voldoende vocht vasthoudt maar niet langdurig drassig blijft. Een zonnigere plaats is mogelijk wanneer de grond tijdens droge perioden gelijkmatig vochtig blijft. Droge, snel uitdrogende grond is minder geschikt.
Door de beperkte hoogte past Aruncus aethusifolius vooraan in een border, tussen lage schaduwplanten of als lage groepsbeplanting. De compacte pollen vormen een rustige begroeiing, maar sluiten de bodem niet zo snel als sterk kruipende bodembedekkers.
Aruncus aethusifolius wordt doorgaans ongeveer 20 tot 30 cm hoog. Het blad blijft laag en compact, terwijl de roomwitte bloempluimen iets boven de pollen uitsteken. Door deze beperkte groeihoogte is de soort geschikt voor de voorrand van een border en voor kleinere, halfschaduwrijke plantvakken. Houd er rekening mee dat de uiteindelijke omvang ook afhangt van de bodem: op een humusrijke, gelijkmatig vochtige standplaats ontwikkelen de pollen zich voller dan op droge grond.
Dat kan alleen wanneer de bodem voldoende koel en gelijkmatig vochtig blijft. In België is halfschaduw doorgaans de veiligste standplaats, vooral op lichte zandgrond of plaatsen die in de zomer snel uitdrogen. In de volle zon kan het fijne blad bij aanhoudende droogte sneller verdrogen. Op een vochthoudende bodem met voldoende humus verdraagt de plant meer zon. Een hete plaats tegen een zuidmuur of tussen sterk opwarmende stenen is minder geschikt.
De bronsrode tot oranjerode verkleuring is een normaal seizoenskenmerk van Aruncus aethusifolius. Ze ontstaat wanneer het blad in het najaar afrijpt. De intensiteit kan variëren naargelang de standplaats, de bodem en het weer. Na de verkleuring sterft het loof bovengronds af, omdat deze geitenbaard niet wintergroen is. Het afgestorven blad mag in het late najaar worden verwijderd, maar kan ook tot het vroege voorjaar blijven staan.
Nee, langdurig droge grond is niet geschikt voor Aruncus aethusifolius. De plant groeit het best in humusrijke grond die vocht vasthoudt zonder voortdurend nat te blijven. Vooral tijdens warme zomers kan het fijne blad op droge standplaatsen snel achteruitgaan. Werk bij lichte grond voldoende organisch materiaal door de bodem en geef jonge planten water tijdens langere droge perioden. Een laag organische mulch helpt om sterke schommelingen in het bodemvocht te beperken.
Aruncus aethusifolius kan als lage groepsbeplanting worden gebruikt, vooral in een halfschaduwrijke border met een vochthoudende bodem. De plant vormt compacte pollen en bedekt de bodem daardoor geleidelijk. Hij groeit echter niet als een snel kruipende bodembedekker. Voor een gesloten plantvak zijn meerdere planten nodig en moet tijdens de eerste jaren onkruid tussen de pollen worden verwijderd. De soort is vooral geschikt waar een lage, fijnbladige begroeiing gewenst is.