- Tous les produits
- Sierplanten
- Sierstruiken
- Bladhoudend
- ABELIA GRANDIFLORA
- Bladhoudend
Glanzende abelia (Abelia × grandiflora) vormt een breed opgaande struik met lange, sierlijk overhangende takken. Van juli tot in oktober verschijnen talrijke kleine, buisvormige bloemen. Ze zijn wit tot lichtroze, geuren zacht en worden bezocht door bijen en andere bestuivende insecten.
Het glanzende, donkergroene blad is halfwintergroen. In een zachte winter blijft een aanzienlijk deel aan de struik, terwijl de plant na strenge vorst meer blad kan verliezen. De groei wordt doorgaans ongeveer 2 tot 3 meter hoog en minstens even breed wanneer de struik vrij kan uitgroeien.
Standplaats en verzorging
Plant deze abelia in de zon of halfschaduw, bij voorkeur op een warme en beschutte plaats. Een goed doorlatende bodem is belangrijk, want langdurig natte wintergrond verhoogt de kans op wortel- en vorstschade. Een ingewortelde plant verdraagt tijdelijke droogte, maar jonge exemplaren hebben tijdens droge perioden extra water nodig.
In België kunnen jonge scheuten tijdens een strenge winter invriezen. Verwijder beschadigde takdelen aan het einde van de winter of in het vroege voorjaar. Verder volstaat een beperkte vormsnoei; regelmatig sterk terugsnoeien is doorgaans niet nodig.
Abelia grandiflora is in België doorgaans halfwintergroen. Tijdens zachte winters blijft een groot deel van het glanzende blad aan de takken. Bij langdurige vorst, koude wind of een onbeschutte standplaats kan de struik meer blad verliezen. Dit is niet noodzakelijk een teken dat de plant is afgestorven: in het voorjaar loopt hij meestal opnieuw uit. Een warme plek uit de koude oostenwind helpt om het blad langer te behouden en beperkt schade aan jonge scheuten.
De struik kan in het grootste deel van België worden aangeplant, maar staat het best warm en beschut. Vooral jonge planten en exemplaren op natte grond kunnen tijdens strenge vorst schade oplopen. Bescherm de wortelzone de eerste winters met een laag mulch en vermijd een standplaats die blootstaat aan koude, uitdrogende wind. Ingevroren takpunten kunnen aan het einde van de winter worden teruggesnoeid tot op gezond hout.
Een vrij groeiende Abelia grandiflora wordt doorgaans ongeveer 2 tot 3 meter hoog en kan minstens even breed worden. De lange takken buigen met de jaren sierlijk naar buiten, waardoor de struik meer ruimte inneemt dan een strak opgaande heester. De uiteindelijke afmetingen hangen af van bodem, standplaats en snoei. Met beperkte vormsnoei kan de plant compacter worden gehouden, al gaat een te krappe standplaats ten koste van zijn natuurlijke groeiwijze.
Snoei bij voorkeur aan het einde van de winter of in het vroege voorjaar. Verwijder eerst dode, beschadigde en door vorst aangetaste takdelen. Te lange scheuten kunnen daarna worden ingekort om de struik evenwichtig te houden. Een jaarlijkse zware snoei is niet nodig en kan de natuurlijke, overhangende groeiwijze verstoren. Oudere struiken kunnen geleidelijk worden verjongd door enkele van de oudste takken laag weg te nemen.
Een goed ingewortelde Abelia grandiflora verdraagt tijdelijke droge perioden, zolang de bodem niet extreem arm of volledig uitgedroogd is. Pas aangeplante struiken moeten tijdens droge lentes en zomers regelmatig water krijgen. Een humusrijke, goed doorlatende bodem houdt voldoende vocht vast zonder in de winter nat te blijven. Een mulchlaag helpt om verdamping te beperken, maar mag niet rechtstreeks tegen de basis van de takken worden opgehoopt.