- Alle producten
- Sierplanten
- Bodembedekkers
- VINCA MINOR 'ILLUMINATION' (CAHILL)
- Bodembedekkers
Geelbonte kleine maagdenpalm
Vinca minor 'Cahill', meestal aangeboden onder de naam Illumination, onderscheidt zich door zijn kleine, wintergroene bladeren met een helder geel centrum en een onregelmatige groene rand. In maart en april verschijnen paarsblauwe bloemen boven het lichte blad.
De soepele scheuten groeien over de grond en wortelen waar ze de bodem raken. Zo ontstaat geleidelijk een laag tapijt van ongeveer 15 tot 25 cm hoog. Deze groeiwijze maakt de cultivar geschikt als onderbeplanting bij heesters en bomen, langs paden en op kleinere taluds. Lange uitlopers kunnen ook over de rand van een pot of hangmand groeien.
Standplaats en onderhoud
Deze kleine maagdenpalm groeit in zon, halfschaduw en schaduw. In volle zon moet de bodem voldoende vochthoudend blijven, terwijl de bloei in diepe schaduw doorgaans beperkter is. Een humusrijke, goed doorlatende bodem die niet langdurig nat blijft, geeft de beste groei.
De plant vraagt weinig snoei. Uitlopers die buiten het gewenste plantvak groeien, kunnen in het voorjaar of na de bloei worden teruggeknipt. Door de kruipende groei is het raadzaam de uitbreiding tijdig te begrenzen naast zwakker groeiende vaste planten.
Ja. De kruipende scheuten kunnen de bodem tussen oppervlakkige boom- en heesterwortels geleidelijk bedekken. De plant verdraagt halfschaduw en schaduw, al is de bloei onder een zeer dicht bladerdek doorgaans minder rijk. Geef na de aanplant voldoende water totdat de wortels goed gevestigd zijn. Op sterk uitgedroogde grond onder volwassen bomen kan ook later water nodig zijn tijdens langdurige droogte. Een humusrijke bodem helpt om het beschikbare vocht beter vast te houden.
Ja, maar de hoeveelheid bloemen hangt af van de beschikbare hoeveelheid licht. In halfschaduw verschijnen doorgaans meer paarsblauwe bloemen dan in diepe schaduw. Op donkere plaatsen ligt de sierwaarde vooral bij het geelbonte, wintergroene blad. Voor een goede bloei en een gelijkmatige bodembedekking kiest u bij voorkeur een plaats met gefilterd licht of enkele uren zachte zon. Vermijd daarbij een bodem die langdurig uitdroogt of nat blijft.
Knip lange uitlopers terug zodra ze buiten het gewenste plantvak groeien. Dat kan in het voorjaar of na de bloei. Scheuten die op vochtige grond liggen, kunnen op verschillende plaatsen wortelen; verwijder daarom ook de bewortelde delen wanneer de plant zich te ver heeft uitgebreid. Langs een pad of border kan een duidelijke rand het onderhoud vereenvoudigen. Regelmatige controle voorkomt dat de bodembedekker tussen traag groeiende of lage vaste planten terechtkomt.
Dat kan wanneer de bodem voldoende vochthoudend is en tijdens droge perioden niet volledig uitdroogt. Op een warme, droge standplaats vraagt de plant meer water en kan het blad minder fris blijven. Halfschaduw biedt doorgaans een evenwichtige combinatie van bladkleur, bloei en beperkte droogtestress. In zware grond is een goede afwatering belangrijk, want langdurig natte bodem is minder geschikt. Geef pas aangeplante exemplaren regelmatig water totdat ze goed zijn ingeworteld.
Voor een geleidelijke bodembedekking zijn ongeveer zeven tot negen planten per vierkante meter gebruikelijk. Met negen planten sluit het plantvak sneller; met zeven planten duurt het langer voordat de uitlopers elkaar raken. De uiteindelijke snelheid hangt ook af van licht, bodemvocht en verzorging na de aanplant. Houd rekening met de kruipende uitbreiding en laat voldoende afstand tot zwak groeiende buurplanten. Geef na het planten water zodat de kluit en omliggende grond gelijkmatig vochtig worden.