- Alle producten
- Sierplanten
- Bomen
- Naaldbomen
- SEQUOIADENDRON GIGANTEUM
- Naaldbomen
Monumentale conifeer met vezelige schors
De mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) groeit in Europa uit tot een boom van ongeveer 30 tot 50 meter hoog en 8 tot 10 meter breed. De aanvankelijk smal piramidale kroon wordt op latere leeftijd breder. Beschaduwde onderste takken kunnen geleidelijk afsterven, waardoor oudere bomen een hoge, vrijstaande stam ontwikkelen.
De korte, scherpe naalden zijn blauwgroen en blijven ook in de winter aan de boom. Vooral de dikke, roodbruine schors is kenmerkend. Ze voelt zacht en vezelig aan en raakt met de jaren steeds dieper gegroefd. De eivormige kegels worden ongeveer 5 tot 8 cm lang en verkleuren bij rijping roodbruin.
Standplaats en bodem
Sequoiadendron giganteum groeit het best in de zon of lichte halfschaduw, op een diepe, vruchtbare bodem die voldoende vocht vasthoudt maar goed ontwaterd is. De soort verdraagt verschillende grondsoorten en een ruime pH-marge. Een verdichte bodem of standplaats in verharding is minder geschikt.
Door zijn snelle groei en uitzonderlijke eindafmetingen vraagt de mammoetboom veel ruimte, zowel boven als onder de grond. Gebruik hem daarom als solitaire boom in een park, op een landgoed of in een uitzonderlijk ruime tuin. Kies de standplaats zorgvuldig: grotere exemplaren zijn moeilijk te verplanten. De boom verdraagt wind behoorlijk goed wanneer hij op een geschikte bodem staat.
Meestal niet. De mammoetboom kan in Europa ongeveer 30 tot 50 meter hoog en 8 tot 10 meter breed worden. Ook jonge bomen groeien vrij snel. Daardoor is een ruime afstand tot gebouwen, perceelsgrenzen en andere grote bomen noodzakelijk. De soort komt het best tot zijn recht in parken, op landgoederen of in uitzonderlijk grote tuinen waar hij zich zonder zware snoei kan ontwikkelen. Voor een doorsnee stadstuin of kleine landelijke tuin is zijn uiteindelijke omvang te groot.
Een diepe, vruchtbare en vochthoudende bodem geeft de beste groei, op voorwaarde dat overtollig water voldoende kan wegtrekken. Zandige leem, zandleem en lichtere kleigrond zijn bruikbaar wanneer de bodem niet verdicht is. Zowel zure als kalkhoudende gronden worden doorgaans verdragen. Vermijd een ondiepe groeiplaats en een volledig verharde boomspiegel. Tijdens droge perioden hebben jonge exemplaren extra water nodig totdat hun wortelgestel voldoende ontwikkeld is.
Een standplaats midden in of vlak naast uitgebreide verharding is niet aangewezen. De mammoetboom heeft een ruime, diep doorwortelbare bodem nodig en verdraagt bodemverdichting slecht. Bovendien neemt de boom op termijn veel plaats in. Voorzie daarom een royale, open boomspiegel en voldoende afstand tot terrassen, opritten, funderingen en ondergrondse constructies. De beschikbare ruimte moet worden beoordeeld op basis van de volwassen boom en niet alleen op basis van het formaat bij aankoop.
Wanneer de kroon dichter wordt, ontvangen de onderste takken geleidelijk minder licht. Beschaduwde takken kunnen daardoor afsterven en uiteindelijk afbreken of verwijderd worden. Zo ontstaat bij oudere mammoetbomen vaak een hoge, vrijstaande stam met de levende kroon erboven. Dit is een normaal gevolg van de ontwikkeling van de boom en hoeft niet op een ziekte te wijzen. Een ruime, vrijstaande groeiplaats zorgt ervoor dat de kroon zich zo evenwichtig mogelijk kan opbouwen.
Het verplanten van een grotere mammoetboom is moeilijk en vraagt een deskundige voorbereiding. Naarmate de boom ouder wordt, neemt het risico op onvoldoende hergroei toe. De definitieve standplaats moet daarom bij de aanplant zorgvuldig worden gekozen, met voldoende ruimte voor de volwassen kroon en wortelzone. Wanneer verplanten onvermijdelijk is, zijn voorafgaande wortelsnoei, een ruime kluit en een goede nazorg belangrijk. Regelmatig water geven na de verplanting blijft noodzakelijk totdat de boom opnieuw goed is ingeworteld.