- Alle producten
- Sierplanten
- Bomen
- Loofbomen
- QUERCUS SUBER
- Loofbomen
Kurkeik met karakteristieke schors
De kurkeik (Quercus suber) onderscheidt zich door zijn dikke, sponsachtige kurkschors. De aanvankelijk grijsbruine bast wordt met de jaren steeds dieper gegroefd. De kroon ontwikkelt zich onregelmatig en wordt op termijn breed en min of meer rond.
Het leerachtige blad is ovaal tot eivormig en heeft een getande bladrand. De bovenzijde is donkergroen, terwijl de onderzijde grijswit en viltig behaard is. De boom blijft wintergroen, al kan het blad tijdens een strenge winter beschadigd raken of gedeeltelijk afvallen. De eivormige eikels staan afzonderlijk of met twee bijeen.
Standplaats in België
Quercus suber groeit het best op een zonnige, warme en beschutte plaats. Een goed doorlatende bodem is belangrijk, want langdurig natte grond verhoogt de kans op wortelproblemen. Eenmaal ingeworteld verdraagt de boom droge periodes goed.
De winterhardheid is beperkt voor het Belgische klimaat. Vooral jonge bomen en exemplaren op een open, koude standplaats kunnen vorstschade oplopen. Kies daarom een beschutte tuin in een zachte regio en vermijd koude wind en natte wintergrond. Door zijn brede kroon en mogelijke eindhoogte vraagt de kurkeik voldoende ruimte.
De kurkeik is slechts beperkt winterhard in België. Hij maakt de beste kans in een zachte regio, op een warme en beschutte plaats zonder koude oostenwind. Jonge bomen zijn het gevoeligst en kunnen tijdens strenge vorst schade aan blad, twijgen of stam oplopen. Een goed doorlatende bodem is in de winter extra belangrijk, omdat de combinatie van vorst en natte grond ongunstig is. Ook een gevestigd exemplaar kan na een strenge winter tijdelijk blad verliezen. Voor open, koude tuinen of vorstgevoelige laagtes is Quercus suber daarom geen betrouwbare keuze.
Ja, Quercus suber is van nature wintergroen. Het leerachtige, donkergroene blad blijft onder zachte omstandigheden aan de boom. In België is het winterbeeld afhankelijk van de standplaats en de strengheid van de winter. Langdurige vorst, koude wind of felle winterzon kunnen bladverkleuring en bladval veroorzaken. Dit betekent niet noodzakelijk dat de boom verloren is: een gezond en voldoende beschut exemplaar kan in het voorjaar opnieuw uitlopen. De grijswitte, viltige bladonderzijde is vooral zichtbaar wanneer het blad door de wind beweegt.
De kurkeik groeit bij voorkeur in een goed doorlatende bodem die niet langdurig nat blijft. Zandige, lemige en eerder arme gronden kunnen geschikt zijn, zolang overtollig water gemakkelijk wegzakt. Eenmaal goed ingeworteld verdraagt de boom droge periodes behoorlijk goed. Zware, verdichte of voortdurend natte grond is minder geschikt, zeker tijdens de winter. Plant hem daarom niet in een laagte waar water blijft staan. Op zware grond kan een verhoogde plantplaats de afwatering verbeteren, maar een structureel nat perceel blijft ongeschikt.
Quercus suber kan onder gunstige omstandigheden ongeveer 6 tot 15 meter hoog en breed worden. De kroon is aanvankelijk eerder ovaal, maar groeit later breed, rondachtig en onregelmatig uit. In België worden de uiteindelijke afmetingen mede bepaald door winterkou, bodem en beschutting. Voorzie vanaf de aanplant voldoende afstand tot gebouwen, perceelsgrenzen en andere grote bomen. Door zijn brede kroon is de kurkeik vooral geschikt als solitaire boom op een ruime standplaats; voor een kleine tuin is zijn volwassen omvang doorgaans te groot.
De karakteristieke kurklaag ontstaat geleidelijk en wordt duidelijker naarmate de boom ouder wordt. Jonge stammen hebben nog een relatief gladde, grijsbruine bast. Later wordt deze dikker, zachter en steeds dieper gegroefd. Daardoor is de schors bij jonge planten nog niet zo uitgesproken als bij oudere exemplaren. Het verwijderen van de bast is in een Belgische tuin niet aangewezen: ondeskundig ontschorsen kan het levende weefsel beschadigen en de boom verzwakken. De natuurlijke ontwikkeling van de kurkschors vraagt tijd en vormt uiteindelijk het belangrijkste sierkenmerk.