- Alle producten
- Sierplanten
- Bomen
- Loofbomen
- PRUNUS DULCIS 'ROBIJN' HOOGSTAM
- Loofbomen
Bloei en vruchten
Amandel 'Robijn' vormt eetbare amandelen in een groenige, viltige vruchtwand. Bij rijpheid droogt deze buitenlaag in en komt de harde steen met de amandelpit vrij. Laat de vruchten voldoende lang aan de boom rijpen en droog de geoogste amandelen goed voordat u ze bewaart.
De zachtroze bloesem verschijnt vroeg in het voorjaar, doorgaans in maart of april. Door deze vroege bloei kunnen de bloemen schade oplopen bij late nachtvorst. Een zonnige, warme en beschutte standplaats vergroot daarom de kans op een goede vruchtzetting.
Groei als hoogstam
Deze hoogstam heeft een kale stam van 2,20 m met daarboven een halfopen, ovaal uitgroeiende kroon. De totale hoogte bedraagt op termijn ongeveer 4 tot 6 m, met een vergelijkbare kroonbreedte. Voorzie voldoende vrije ruimte rondom de boom; de hoogstamvorm is vooral geschikt als vrijstaande fruitboom.
Standplaats en verzorging
Prunus dulcis 'Robijn' groeit het best in volle zon, op een warme plaats die beschermd is tegen koude wind. Een goed doorlatende zand-, leem- of lichte kleigrond is geschikt. Vermijd bodems waarop tijdens de winter langdurig water blijft staan.
Snoei alleen wanneer dit nodig is om de kroon open en evenwichtig te houden. Voer grotere snoeiwerken bij voorkeur tijdens droog zomerweer uit en niet midden in de winter.
Behandel 'Robijn' niet als gegarandeerd zelfbestuivend, omdat de bestuivingseigenschappen van deze cultivar niet eenduidig vaststaan. Een alleenstaande boom kan vruchten vormen, maar een tweede amandelras met een overlappende bloeiperiode kan de bestuiving en vruchtzetting verbeteren. Ook bij goede bestuiving blijft het weer tijdens de vroege bloei belangrijk. Koude, regen en weinig activiteit van bestuivende insecten kunnen de opbrengst beperken.
De boom is in een geschikt microklimaat voldoende winterhard voor België, maar de vroeg verschijnende bloesem is gevoeliger dan het hout. Nachtvorst tijdens de bloei kan bloemen beschadigen en daardoor de oogst verminderen. Plant de boom niet in een laagte waar koude lucht zich verzamelt. Een zonnige, beschutte standplaats bij een warme muur of tussen windbrekende beplanting verkleint het risico, zonder volledige bescherming te bieden.
De amandelen rijpen in het najaar. Oogst wanneer de groenige buitenlaag uitdroogt en vanzelf begint open te splijten. Te vroeg geplukte vruchten zijn moeilijk van hun vruchtwand te ontdoen en de pit is dan nog onvoldoende ontwikkeld. Verwijder na de oogst de buitenlaag en laat de stenen op een droge, luchtige plaats nadrogen. Open ze pas daarna om de amandelpit eruit te halen.
Reken voor een volwassen exemplaar op ongeveer 4 tot 6 m hoogte en een kroon die eveneens meerdere meters breed kan worden. Houd daarom voldoende afstand tot gebouwen, perceelsgrenzen en andere grote bomen. De stamhoogte bedraagt 2,20 m; dit is de hoogte van de kale stam tot aan de kroon en niet de totale boomhoogte. Door zijn uiteindelijke kroonvolume is deze hoogstam minder geschikt voor een zeer kleine tuin.
Snoei een amandelboom bij voorkeur beperkt en tijdens een droge periode in de zomer. Verwijder vooral kruisende, beschadigde of naar binnen groeiende takken, zodat licht en lucht in de kroon blijven komen. Zware wintersnoei is minder aangewezen bij Prunus, omdat snoeiwonden dan trager sluiten en gevoeliger kunnen zijn voor aantastingen. Werk met scherp gereedschap en verwijder niet meer kroonvolume dan nodig is.