- Alle producten
- Sierplanten
- Conifeer
- PICEA ORIENTALIS 'AUREOSPICATA'
- Conifeer
Goudgele voorjaarsuitloop
Picea orientalis 'Aureospicata' onderscheidt zich door de goudgele jonge scheuten die in het voorjaar verschijnen. Ze steken duidelijk af tegen de oudere, donkergroene naalden en verkleuren naarmate ze afrijpen naar groen. De korte naalden staan dicht rond de twijgen, waardoor de boom ook buiten de uitloopperiode een gesloten wintergroen uiterlijk behoudt.
Deze cultivar vormt een opgaande, piramidale boom met een doorgaande top en een regelmatige vertakking. De ontwikkeling verloopt aanvankelijk vrij beheerst, maar 'Aureospicata' is geen dwergconifeer. Op langere termijn kan hij tot een forse boom uitgroeien en vraagt hij voldoende ruimte als solitair.
Standplaats en bodem
Een plaats in de zon tot halfschaduw is geschikt. Kies bij voorkeur een beschutte standplaats met een vochthoudende maar goed doorlatende bodem. Langdurig natte grond, vooral tijdens de winter, is minder geschikt. Ook aanhoudende droogte wordt slecht verdragen zolang de boom nog niet goed is ingeworteld.
Picea orientalis 'Aureospicata' is goed winterhard in België. Snoei is doorgaans niet nodig, omdat de natuurlijke piramidale vorm de belangrijkste sierwaarde vormt.
Nee. De nieuwe scheuten lopen in het voorjaar goudgeel uit, maar deze kleur is tijdelijk. Tijdens het afrijpen worden de naalden geleidelijk groen. Het opvallendste kleurcontrast ontstaat daardoor in het voorjaar, wanneer de gele uiteinden afsteken tegen de oudere, donkergroene naalden. Later in het groeiseizoen krijgt de boom opnieuw een overwegend groene kleur.
'Aureospicata' groeit aanvankelijk vrij beheerst, maar is geen dwergconifeer. Na verloop van vele jaren kan hij ruim hoger dan 5 meter worden en uiteindelijk het formaat van een middelgrote tot grote tuinboom bereiken. De uiteindelijke afmetingen hangen mede af van bodem, standplaats en leeftijd. Voorzie daarom voldoende ruimte voor de piramidale kroon en plant hem niet te dicht bij gebouwen of perceelsgrenzen.
Ja, een zonnige standplaats is mogelijk, op voorwaarde dat de bodem niet langdurig uitdroogt. Ook halfschaduw wordt goed verdragen. Een vochthoudende, goed doorlatende grond helpt om de jonge voorjaarsgroei gelijkmatig te laten ontwikkelen. Op een open plaats met droge bodem en veel uitdrogende wind zijn de omstandigheden minder gunstig.
Een gelijkmatig vochthoudende bodem is geschikt, maar langdurig natte of slecht doorlatende grond niet. Vooral stilstaand winterwater verhoogt het risico op wortelproblemen. Op zware grond is een goede bodemstructuur daarom belangrijk. Vermijd tegelijk een standplaats die in de zomer voortdurend uitdroogt, zeker tijdens de eerste jaren na het planten.
Gewoonlijk niet. De cultivar vormt van nature een opgaande, piramidale kroon met een doorgaande top. Snoeien kan die regelmatige groei verstoren. Beperk ingrepen tot het verwijderen van beschadigde of verkeerd geplaatste takken. Zorg er vooral voor dat de centrale topscheut behouden blijft, omdat deze de verdere kroonopbouw bepaalt.