- Alle producten
- Sierplanten
- Conifeer
- PICEA GLAUCA 'RAINBOW'S END'
- Conifeer
Witte spar Picea glauca 'Rainbow's End' onderscheidt zich door zijn opvallende tweede groeischeut. De nieuwe naalden kleuren in de vroege zomer roomgeel tot goudgeel, terwijl het oudere loof groen blijft. Dit kleurverschil is tijdelijk: naarmate de jonge scheuten afrijpen, worden ook deze groener.
Deze groenblijvende dwergconifeer groeit traag en vormt zonder snoei een dichte, brede kegel. Na ongeveer tien jaar kan hij circa 1,2 meter hoog en 0,9 meter breed zijn. Oudere exemplaren kunnen op lange termijn ongeveer 2,5 tot 3 meter hoog worden, afhankelijk van bodem en standplaats.
'Rainbow's End' groeit het best in de zon tot halfschaduw. Kies een beschutte plek met een humusrijke, licht vochtige maar goed doorlatende bodem. Langdurige droogte en zware grond die in de winter nat blijft, worden slecht verdragen. Op sterk kalkrijke grond kan de groei minder goed zijn.
Door zijn trage ontwikkeling is deze cultivar bruikbaar als solitaire conifeer, in een rotstuin of in een ruime plantenbak. Bij teelt in pot moet de kluit gelijkmatig vochtig blijven en moet overtollig water vlot kunnen wegvloeien. Snoei is doorgaans niet nodig en kan de natuurlijke kegelvorm verstoren.
De gele kleur is een kenmerk van de tweede groeischeut, die gewoonlijk in de vroege zomer verschijnt. De jonge naalden lopen roomgeel tot goudgeel uit en contrasteren met het oudere groene loof. Tijdens het afrijpen worden ze geleidelijk groener. Een gelijkmatige verkleuring van de nieuwe scheuten is dus normaal. Vergelen oudere naalden of worden volledige takken bruin, dan kan dit eerder wijzen op droogte, wortelproblemen of een te natte bodem.
'Rainbow's End' groeit zeer langzaam. Na ongeveer tien jaar bereikt de plant onder goede omstandigheden doorgaans circa 1,2 meter hoogte en 0,9 meter breedte. Op lange termijn kan een ouder exemplaar ongeveer 2,5 tot 3 meter hoog worden en breder uitgroeien aan de basis. De uiteindelijke afmetingen hangen samen met bodem, vochtvoorziening en beschikbare wortelruimte. Houd daarom ook bij een jonge plant voldoende plaats vrij voor de brede kegelvorm.
Ja, de trage groei maakt deze dwergspar geschikt voor een ruime plantenbak. Gebruik een goed doorlatend substraat en een pot met voldoende afvoergaten. De kluit mag niet volledig uitdrogen, maar voortdurend natte potgrond veroorzaakt eveneens problemen. In een pot zijn de wortels gevoeliger voor uitdroging en sterke temperatuurschommelingen dan in volle grond. Controleer daarom ook tijdens droge winterperiodes het vochtgehalte en verpot de plant wanneer de wortelruimte te beperkt wordt.
Nee, snoei is normaal niet nodig. De cultivar vormt van nature een dichte en regelmatige kegel. Sterk terugsnoeien in oud, kaal hout wordt afgeraden, omdat sparren daar niet altijd opnieuw uitlopen. Verwijder alleen dode of beschadigde twijgen. Een scheut die duidelijk buiten de vorm groeit, kan voorzichtig worden ingekort zolang er nog groene naalden op het resterende deel staan. Beperkte correcties gebeuren het best zonder de centrale topscheut te beschadigen.
Een beperkte hoeveelheid bruine naalden binnen in de plant kan het gevolg zijn van natuurlijke naaldvernieuwing en lichtgebrek in het dichte loof. Uitgebreide bruinverkleuring vraagt meer aandacht. Mogelijke oorzaken zijn uitdroging, langdurig natte grond of aantasting door spint bij warm en droog weer. Controleer eerst of de kluit gelijkmatig vochtig is en of overtollig water kan wegvloeien. Een luchtige, beschutte standplaats verkleint de kans op problemen.