- Alle producten
- Sierplanten
- Bodembedekkers
- GERANIUM MACULATUM
- Bodembedekkers
De gevlekte ooievaarsbek (Geranium maculatum) is een polvormende vaste plant met zachtroze tot lilaroze bloemen. Ze verschijnen in het voorjaar boven het diep ingesneden, handvormige blad. De bloei duurt doorgaans meerdere weken.
Deze soort groeit van nature als bosplant en voelt zich het best in halfschaduw. Een zonnige standplaats is eveneens mogelijk wanneer de bodem voldoende vochthoudend blijft. Op een hete, droge plek kan het blad in de zomer vroeg vergelen of terugvallen.
Kies bij voorkeur een humusrijke, normaal vochtige en goed doorlatende bodem. Langdurig natte grond is minder geschikt. Onder gunstige omstandigheden vormt de plant geleidelijk een ruimere groep, waardoor hij bruikbaar is in een natuurlijke border, aan de bosrand of als losse bodembedekker onder bladverliezende heesters en bomen.
Het bovengrondse blad sterft in de winter af. Wanneer het loof na de bloei slordig wordt, kan het licht worden teruggeknipt om de vorming van fris blad te bevorderen. Een betrouwbare tweede bloei hoeft daarbij niet te worden verwacht.
Ja, maar alleen wanneer de bodem in de zomer voldoende vochthoudend blijft. Op een zonnige, warme plaats droogt de grond sneller uit en kan het blad vroeg vergelen of terugvallen. In Belgische tuinen is lichte halfschaduw doorgaans de veiligste keuze, vooral op zandgrond. Ochtendzon of gefilterd licht onder bladverliezende bomen past goed bij deze bosplant. Vermijd vooral de combinatie van felle middagzon en een droge bodem.
Vroege vergeling ontstaat meestal wanneer de bodem tijdens warm weer te sterk uitdroogt. De plant bloeit hoofdzakelijk in het voorjaar en het loof kan daarna tijdelijk minder fris worden, vooral op zonnige standplaatsen. Geef tijdens langdurige droogte water zonder de grond voortdurend nat te houden. Is het blad na de bloei sterk teruggevallen, dan kan het licht worden teruggeknipt. Vanuit de basis ontwikkelt zich bij voldoende bodemvocht vaak nieuw blad.
Geranium maculatum groeit aanvankelijk in pollen en is geen uitgesproken woekerende bodembedekker. Op een humusrijke, vochthoudende standplaats kan hij zich na verloop van tijd wel uitbreiden en een ruimere groep vormen. Dat maakt de soort geschikt voor natuurlijke beplantingen en bosranden. Wie de verspreiding wil beperken, kan ongewenste zaailingen verwijderen en de pollen tijdens het voor- of najaar delen. Op drogere grond verloopt de uitbreiding doorgaans trager.
De soort is geschikt onder bladverliezende bomen en hoge heesters wanneer er voldoende licht op de bodem valt en de grond niet volledig uitdroogt. Een plek met voorjaarslicht en lichte zomerschaduw sluit goed aan bij zijn groeiritme. Houd rekening met concurrentie van oppervlakkige boomwortels: direct tegen de stam is de bodem vaak te droog. Aan de rand van de kroon, in humusrijke grond, zijn de omstandigheden doorgaans gunstiger.
Terugknippen is niet noodzakelijk, maar kan nuttig zijn wanneer het blad na de voorjaarsbloei geel of slordig wordt. Verwijder dan het teruggevallen loof en laat het gezonde blad staan. Bij voldoende bodemvocht vormt de plant vaak opnieuw een frissere bladpol. Terugknippen is vooral bedoeld om het zomerbeeld te verbeteren; een duidelijke tweede bloei is bij deze soort niet gegarandeerd. Het afgestorven loof kan uiterlijk in het vroege voorjaar volledig worden verwijderd.