- Alle producten
- Sierplanten
- Bodembedekkers
- DRYAS OCTOPETALA
- Bodembedekkers
Dryas octopetala, ook achtbladige zilverw ortel genoemd, groeit als een zeer lage, kruipende dwergheester. De korte, houtige scheuten vormen geleidelijk een dichte mat van kleine, donkergroene bladeren met een zilverachtig behaarde onderzijde. Het blad blijft doorgaans ook in de winter aanwezig.
De witte bloemen verschijnen vooral in mei en juni. Ze hebben meestal acht kroonbladen en contrasteren met de gele meeldraden. Na de bloei ontstaan zilvergrijze, gevederde vruchtpluizen die de plant ook later in het seizoen herkenbaar houden.
Standplaats en toepassing
Deze alpiene plant vraagt volle zon en een stenige, goed doorlatende bodem. Een neutrale tot kalkhoudende grond geniet de voorkeur. Eenmaal ingeworteld verdraagt hij droge perioden, maar langdurig natte grond kan wortel- en groeiproblemen veroorzaken. Vooral stilstaand wintervocht moet worden vermeden.
Door de lage, kruipende groei is Dryas octopetala geschikt voor rotstuinen, verhoogde plantvakken, troggen en voegen tussen stapelstenen. Aan een rand kunnen de scheuten licht overhangen. Snoei is doorgaans niet nodig; afgestorven of beschadigde delen kunnen na de winter voorzichtig worden verwijderd.
Dat kan wanneer de grond voldoende luchtig en doorlatend is. Op zware leem- of kleigrond blijft rond de wortels gemakkelijk te veel water staan, vooral in de winter. Plant hem daar bij voorkeur verhoogd en meng grof mineraal materiaal door de bodem. De grond mag neutraal tot kalkhoudend zijn. Een zure, voortdurend natte of sterk bemeste bodem past minder goed bij deze alpiene plant.
Een tekort aan rechtstreeks zonlicht, een te voedselrijke bodem of winterse nattigheid kan de bloei beperken. Kies een open, zonnige plaats en vermijd zware bemesting. Controleer ook of regen- en gietwater snel kunnen wegzakken. Na het verplanten kan de bloei tijdelijk minder zijn, omdat de plant eerst nieuwe wortels en kruipende scheuten vormt.
Ja, vooral een stenen trog of brede, ondiepe bak met ruime afvoergaten is geschikt. Gebruik een mineraal, kalkhoudend substraat dat niet langdurig nat blijft. Zet de bak in de zon en laat hem tijdens de winter niet in een schaal met water staan. Geef tijdens langdurige droogte wel water, want het beperkte bodemvolume van een bak droogt sneller uit dan volle grond.
Regelmatige snoei is niet nodig. De plant blijft van nature laag en breidt zich met kruipende, deels houtige scheuten uit. Verwijder na de winter alleen afgestorven of beschadigde delen. Wanneer scheuten te ver over een rand groeien, kunnen ze voorzichtig worden ingekort. Snoei niet diep terug in oud hout zonder zichtbare jonge groei.
De plant is wintergroen, maar het blad kan na een koude, winderige of erg natte winter gedeeltelijk verkleuren of beschadigd raken. Dat betekent niet noodzakelijk dat de plant is afgestorven. Beschadigd blad kan in het voorjaar worden verwijderd zodra nieuwe groei zichtbaar wordt. Een zonnige, goed drainerende standplaats is belangrijker dan winterbescherming tegen vorst.