- Alle producten
- Sierplanten
- Conifeer
- CHAMAECYPARIS PISIFERA 'FILIFERA NANA'
- Conifeer
De draadcipres Chamaecyparis pisifera 'Filifera Nana' onderscheidt zich door zijn fijne, draadvormige twijgen. Deze hangen licht af en vormen na verloop van tijd een brede, afgeronde plant met een losse structuur. Het groene loof blijft ook tijdens de winter aanwezig.
Deze cultivar groeit traag en bereikt op termijn doorgaans ongeveer 50 tot 100 cm hoogte. Daardoor is hij vooral bruikbaar in een kleine border, rotstuin of als afzonderlijk geplante dwergconifeer. Regelmatig snoeien is niet nodig. Beperk een eventuele vormcorrectie tot jonge scheuten, want oud coniferenhout loopt niet altijd opnieuw uit.
'Filifera Nana' groeit het best in de zon tot halfschaduw. Kies een humusrijke, goed doorlatende bodem die voldoende vochthoudend blijft. Langdurig natte grond en sterke uitdroging worden minder goed verdragen. Geef vooral na het planten en tijdens aanhoudend droge perioden tijdig water.
'Filifera Nana' groeit zeer langzaam en wordt doorgaans ongeveer 50 tot 100 cm hoog. De plant ontwikkelt zich eerder breed en afgerond dan rechtopgaand. De uiteindelijke afmetingen hangen mede af van de bodem, de beschikbare ruimte en de groeiduur. Door zijn trage ontwikkeling duurt het meerdere jaren voordat een volwassen formaat wordt bereikt. Houd bij het planten daarom niet alleen rekening met de beperkte aanvangsmaat, maar ook met de breedte die de conifeer geleidelijk opbouwt.
Gewoonlijk is snoei niet nodig, omdat deze cultivar traag groeit en van nature een brede, afgeronde vorm ontwikkelt. Verwijder alleen dode of beschadigde twijgen en corrigeer zo nodig enkele jonge uitschieters. Snoei niet diep terug tot op kaal, oud hout: coniferen herstellen daar vaak moeilijk van. Een lichte correctie gebeurt het best geleidelijk, zodat de fijne, draadvormige structuur behouden blijft.
Ja, deze draadcipres groeit zowel in de zon als in de halfschaduw. Een plaats met voldoende licht ondersteunt een compacte en gelijkmatige groei. Vermijd bij voorkeur diepe schaduw, omdat de plant daar losser kan uitgroeien. Op een zonnige standplaats moet de bodem tijdens droge perioden voldoende vochtig blijven, vooral zolang de wortels nog niet diep in de omringende grond zijn doorgedrongen.
Een humusrijke, goed doorlatende en gelijkmatig vochthoudende bodem is het meest geschikt. Licht zure tot neutrale tuingrond wordt doorgaans goed verdragen. Vermijd een standplaats waar water langdurig rond de wortels blijft staan. Ook een zeer droge bodem is minder geschikt. Meng bij arme zandgrond organisch materiaal door de plantgrond en controleer tijdens droge zomers regelmatig of de wortelzone nog voldoende vochtig is.
Bruine twijgen kunnen ontstaan door uitdroging, langdurig natte grond of schade na een koude, uitdrogende wind. Controleer eerst de bodem: deze moet licht vochtig zijn, maar mag niet voortdurend verzadigd blijven. Pas aangeplante exemplaren zijn gevoeliger omdat hun wortelstelsel nog beperkt is. Knip volledig afgestorven twijgen weg, maar snoei niet diep in kaal hout. Wanneer de verkleuring zich blijft uitbreiden, moet ook de afwatering en de algemene wortelconditie worden nagekeken.