- All products
- Sierplanten
- Sierstruiken
- Bladverliezend
- VITEX AGNUS-CASTUS 'LATIFOLIA'
- Bladverliezend
Monnikspeper (Vitex agnus-castus 'Latifolia') onderscheidt zich door zijn relatief brede, grijsgroene deelblaadjes. Bij aanraking verspreidt het blad een aromatische geur. De struik ontwikkelt een losse, breed opgaande groeiwijze en verliest zijn blad in het najaar.
De violetblauwe tot paarse bloemaren verschijnen doorgaans vanaf augustus en kunnen bij zacht najaarsweer tot in september of oktober doorbloeien. Die late bloei trekt bijen, vlinders en andere bloembezoekende insecten aan op een moment dat het aanbod aan bloemen al afneemt.
Standplaats en bodem
Deze monnikspeper groeit het best in volle zon, bij voorkeur tegen een warme muur of op een andere beschutte plaats. De bodem mag eerder droog dan nat zijn en moet overtollig water vlot afvoeren. Vooral natte wintergrond verhoogt het risico op wortel- en vorstschade.
In Belgische tuinen is een beschutte standplaats belangrijk. Jonge planten en pas gevormde scheuten kunnen tijdens strenge vorst beschadigd raken. Snoei ingevroren of afgestorven takdelen pas in het voorjaar weg, wanneer duidelijk zichtbaar is waar de plant opnieuw uitloopt.
'Latifolia' wordt vooral gekozen vanwege het bredere en grovere blad. De handvormige bladeren bestaan uit meerdere grijsgroene deelblaadjes en geven de struik een voller uiterlijk dan vormen met smaller blad. De bloei blijft herkenbaar die van monnikspeper: opgaande, violetblauwe tot paarse bloemaren in de late zomer. Eigenschappen zoals standplaats en bodemvoorkeur verschillen nauwelijks. Ook 'Latifolia' verlangt veel zon, warmte en een goed doorlatende bodem.
Op een warme en beschutte standplaats kan deze monnikspeper in België overwinteren, maar jonge planten en jonge scheuten blijven gevoelig voor strenge vorst. Koude wind en natte wintergrond vergroten de kans op schade. Plant hem daarom bij voorkeur op een zonnige plek met een goed doorlatende bodem, bijvoorbeeld bij een zuidgerichte muur. Vorstschade beperkt zich vaak tot de bovengrondse scheuten; wacht tot het voorjaar om te beoordelen welke takken nog leven.
Ja, zodra de struik goed is ingeworteld verdraagt hij droge perioden behoorlijk goed. Een luchtige zand- of leembodem die overtollig water snel afvoert, is geschikt. Tijdens het eerste groeiseizoen blijft regelmatig water geven nodig, zodat de wortels zich voldoende kunnen ontwikkelen. Een voortdurend natte bodem is minder geschikt, vooral in de winter. Op zware grond is verbetering van de afwatering belangrijker dan extra bemesting.
Snoei bij voorkeur in het voorjaar, nadat de strengste vorst voorbij is. Verwijder eerst afgestorven of ingevroren takdelen. Een te groot geworden struik kan verder worden ingekort om een compacte vertakking en nieuwe bloeischeuten te stimuleren. Snoei niet vroeg in de winter, omdat de resterende takken dan langer aan vorst worden blootgesteld. Bij jonge planten volstaat doorgaans een lichte vormsnoei en het wegnemen van beschadigd hout.
Een gebrek aan zon of warmte is een veelvoorkomende oorzaak. Deze heester vormt de rijkste bloei op een warme plaats in volle zon. Ook langdurig natte grond, zware bemesting of late vorstschade kan de ontwikkeling van bloemen beperken. Geef de plant voldoende tijd om na de winter opnieuw uit te lopen; de bloemen verschijnen pas in de late zomer. Vermijd stikstofrijke bemesting, omdat die vooral bladgroei stimuleert en de bloei kan vertragen.