- All products
- Sierplanten
- Bodembedekkers
- VINCA MINOR 'ATROPURPUREA'
- Bodembedekkers
Kleine maagdenpalm (Vinca minor 'Atropurpurea') onderscheidt zich door zijn donkerpaarse bloemen. Ze verschijnen voornamelijk van maart tot mei boven het glanzende, donkergroene blad. De plant wordt ongeveer 15 cm hoog en behoudt in Belgische winters doorgaans het grootste deel van zijn bladeren.
De kruipende stengels wortelen waar ze de grond raken en groeien geleidelijk uit tot een gesloten tapijt. Daardoor is deze cultivar geschikt als bodembedekker, voor groepsbeplanting en als onderbeplanting van bomen en struiken. Houd bij de aanplant rekening met deze uitbreidende groeiwijze, vooral naast zwak groeiende vaste planten.
Vinca minor 'Atropurpurea' groeit in zon, halfschaduw en schaduw, maar vermijd langdurig droge grond. Een humusrijke, vochthoudende maar goed doorlatende bodem geeft de meest gelijkmatige groei. Snoei is niet noodzakelijk; stengels die buiten het voorziene plantvak groeien, kunnen eenvoudig worden ingekort.
| Location | Partial shade, Shade |
| Blooming period | April, May, June |
| Growth rate | Fast, Moderate |
| Suitable for | Roof garden |
| Evergreen | Yes |
| Suitable as | Groundcover |
| Characteristic | Creeping groundcover |
Het voornaamste verschil is de bloemkleur. Vinca minor 'Atropurpurea' bloeit donkerpaars tot paarsrood, terwijl de gewone kleine maagdenpalm doorgaans blauwviolette bloemen draagt. De lage, kruipende groeiwijze en het glanzende, wintergroene blad zijn vergelijkbaar met die van de soort. Deze cultivar wordt daarom vooral gekozen wanneer een donkerdere bloemkleur gewenst is in een schaduwrijke border of onderbeplanting.
Ja, deze kleine maagdenpalm kan in schaduw groeien en blijft daar bruikbaar als bodembedekker. De bloei kan op een zeer donkere plaats minder rijk zijn dan in halfschaduw of gefilterd licht. Onder bomen speelt ook de bodemvochtigheid een rol: concurrentie van boomwortels kan de grond sterk uitdrogen. Geef na de aanplant voldoende water totdat de stengels goed zijn ingeworteld.
De plant breidt zich geleidelijk uit met kruipende stengels die op de bodem kunnen wortelen. Hoe snel het plantvak sluit, hangt af van de plantafstand, de hoeveelheid licht en het beschikbare bodemvocht. Op humusrijke, niet te droge grond ontstaat sneller een gesloten begroeiing dan op droge grond onder volwassen bomen. Tijdens de eerste groeiperiode blijft onkruid verwijderen nodig totdat de planten voldoende aaneengegroeid zijn.
Een gevestigde plant verdraagt korte droge perioden, maar langdurig droge grond is niet optimaal. Vooral onder bomen en struiken kan de combinatie van schaduw en wortelconcurrentie tot uitdroging leiden. Plant bij voorkeur in humusrijke grond die vocht vasthoudt zonder langdurig nat te blijven. Geef tijdens het eerste groeiseizoen en bij aanhoudende zomerdroogte extra water om een gelijkmatige bodembedekking te bevorderen.
Regelmatige snoei is niet nodig. Knip wel stengels terug die buiten het gewenste plantvak groeien of naburige, zwak groeiende vaste planten dreigen te overgroeien. Een te breed geworden begroeiing kan in het voorjaar worden begrensd. Verwijder daarbij ook beschadigd of verdroogd blad. De plant loopt vervolgens opnieuw uit vanuit de overblijvende stengels.