- All products
- Sierplanten
- Meerjarige vaste planten
- Siergrassen
- PENNISETUM ALOPECUROÏDES 'HAMELN DWARF'
- Siergrassen
Compact lampenpoetsersgras met stevige aren
Pennisetum alopecuroides 'Hameln Dwarf' vormt een compacte pol van smal, groen blad. Vanaf augustus verschijnen dikke, borstelvormige aren die boven het loof uitsteken en geleidelijk bruin verkleuren. De plant wordt met bloei doorgaans ongeveer 60 cm hoog.
Het blad krijgt in het najaar gele tot beigebruine tinten. De verdroogde halmen en aren kunnen tijdens de winter blijven staan, zolang ze niet door zwaar weer uiteenvallen. Zo behoudt de pol ook na het groeiseizoen structuur.
Standplaats en verzorging
Dit lampenpoetsersgras bloeit het rijkst in de volle zon. Halfschaduw wordt verdragen, maar bij te weinig licht ontstaan doorgaans minder aren. Een frisse, goed doorlatende bodem is het meest geschikt. Een ingewortelde plant verdraagt korte droge periodes, maar kan zichtbaar terugvallen tijdens langdurige hitte en droogte.
Knip het oude loof aan het einde van de winter terug voordat de nieuwe scheuten verschijnen. Oudere pollen die in het midden openvallen, kunnen in het voorjaar worden gedeeld en opnieuw geplant.
Door zijn beperkte hoogte is 'Hameln Dwarf' geschikt voor borders, kleinere plantvakken en groepsbeplantingen. In een vakbeplanting komen de compacte pollen en gelijkmatige bloei het duidelijkst tot hun recht.
Ja, deze cultivar kan in halfschaduw groeien, maar vormt doorgaans meer aren op een zonnige standplaats. Te veel schaduw geeft vaak slapper blad en een minder rijke bloei. Kies daarom bij voorkeur een plaats met minstens enkele uren rechtstreeks zonlicht per dag. Op een warme, droge plek moet de bodem tijdens langdurige droogte voldoende vochtig blijven.
Een goed ingewortelde pol verdraagt korte droge periodes, maar langdurige hitte en droogte kunnen het blad en de bloei verzwakken. Vooral op lichte zandgrond is water geven aangewezen wanneer de bodem diep uitdroogt. Een frisse, goed doorlatende bodem geeft doorgaans de gelijkmatigste groei. Vermijd zowel voortdurend uitgedroogde grond als een standplaats waar water langdurig rond de wortels blijft staan.
Knip het oude blad aan het einde van de winter of vroeg in het voorjaar terug, voordat de nieuwe scheuten beginnen te groeien. Laat de verdroogde pol tijdens de winter staan zolang hij voldoende stevig blijft. De halmen beschermen het hart van de plant enigszins en behouden een duidelijke winterstructuur. Gebruik bij het terugsnoeien een scherpe snoeischaar en voorkom schade aan jonge scheuten.
Voor een gesloten groepsbeplanting zijn doorgaans vijf tot zeven planten per vierkante meter geschikt. Met vijf planten blijven de afzonderlijke pollen aanvankelijk beter zichtbaar; met zeven planten sluit het vak sneller. De uiteindelijke dichtheid hangt ook af van de bodem en de beschikbare hoeveelheid licht. Geef iedere pol voldoende ruimte, zodat het overhangende blad en de aren hun natuurlijke vorm behouden.
Oudere pollen kunnen geleidelijk in het midden openvallen doordat de nieuwe scheuten vooral aan de buitenrand ontstaan. Graaf de plant in het voorjaar uit, verdeel de gezonde buitenste delen en plant deze opnieuw op dezelfde diepte. Verwijder het verouderde centrum. Delen is alleen nodig wanneer de pol zichtbaar achteruitgaat; een goed groeiend exemplaar hoeft niet jaarlijks gesplitst te worden.