- All products
- Sierplanten
- Bomen
- Loofbomen
- OKKERNOOT
- Loofbomen
De okkernoot (Juglans regia) vormt eetbare walnoten die doorgaans in september en oktober rijpen. De noten zijn geschikt voor verse consumptie, om te drogen en voor verwerking tot olie. Omdat dit product geen specifieke rasnaam draagt, zijn de grootte, schaaldikte, smaak en productiviteit minder voorspelbaar dan bij een geselecteerd en geënt walnotenras.
De boom groeit uit tot een grote, breedkronige notenboom en is vooral geschikt voor een ruime tuin, boomgaard of weide. Het samengestelde blad loopt vrij laat uit en verspreidt bij kneuzing een kenmerkende geur. Onder de open kroon blijft doorgaans meer gefilterd licht aanwezig dan onder een dicht vertakte schaduwboom.
Plant de okkernoot bij voorkeur in de volle zon, op een diepe, vruchtbare en goed doorlatende bodem. Langdurig natte of sterk verdichte grond belemmert de wortelontwikkeling. Door de vorming van een stevige penwortel worden jonge bomen het best tijdig op hun definitieve plaats geplant. Geef tijdens droge perioden in de eerste jaren voldoende water.
De mannelijke en vrouwelijke bloemen staan op dezelfde boom, maar kunnen op verschillende tijdstippen rijp zijn. Een andere walnotenboom in de omgeving kan daardoor de vruchtzetting verbeteren. Snoei is meestal beperkt tot het verwijderen van verkeerd geplaatste of beschadigde takken. Voer noodzakelijke snoei bij voorkeur in de zomer uit, omdat walnoten bij wintersnoei sterk kunnen bloeden.
Een okkernoot groeit uit tot een forse boom die in een ruime standplaats gewoonlijk 10 tot 25 meter hoog kan worden. Ook de kroon wordt breed, waardoor voldoende afstand tot gebouwen, perceelgrenzen en andere grote bomen nodig is. De uiteindelijke afmetingen hangen af van de bodem, de beschikbare wortelruimte en het uitgangsmateriaal. Voor een kleine stadstuin is een gewone Juglans regia meestal te groot. Een geselecteerd walnotenras met een beperktere groeikracht is daar doorgaans beter op zijn plaats.
Een niet-geënte okkernoot kan meerdere jaren nodig hebben voordat hij vruchten draagt. De jeugdperiode is doorgaans langer dan bij een geënt productieras. Ook daarna kunnen opbrengst, nootgrootte en schaaldikte van boom tot boom verschillen. Voldoende zon, een goede bestuiving en een diepe bodem ondersteunen de vruchtzetting. Wie vooral een vroege en voorspelbare oogst wenst, kiest beter een benoemd, geënt walnotenras waarvan de vruchtkenmerken en productiviteit bekend zijn.
Een okkernoot draagt mannelijke en vrouwelijke bloemen op dezelfde boom, maar beide bloeitypen zijn niet noodzakelijk gelijktijdig rijp. Daardoor kan één boom soms noten vormen, terwijl een tweede walnotenboom met een overlappende bloeitijd de bestuiving en vruchtzetting kan verbeteren. Walnoten worden door de wind bestoven; insecten spelen daarbij nauwelijks een rol. Bij een boom zonder rasnaam is de precieze bloeiverhouding niet bekend, zodat een geschikte bestuiver niet gericht kan worden aangeduid.
Een walnotenboom groeit het best in een diepe, vruchtbare en goed doorlatende bodem. De grond mag vochthoudend zijn, maar langdurige waterverzadiging en sterke verdichting zijn ongunstig voor de wortels. Ondiepe bodems beperken de ontwikkeling van de penwortel en daarmee ook de groei van de boom. Verbeter arme grond bij de aanplant met goed verteerd organisch materiaal, zonder een sterk bemeste plantput te maken. Tijdens de eerste jaren is water geven belangrijk wanneer langere droge perioden optreden.
Snoei een okkernoot alleen wanneer dit nodig is voor een evenwichtige kroon of om beschadigde takken te verwijderen. De zomer is daarvoor het geschiktste moment, wanneer de boom volledig in blad staat. Bij snoei in de winter of vroeg in het voorjaar kan uit de snoeiwonden langdurig sap vloeien. Verwijder bij jonge bomen tijdig dubbele toppen en ongunstig geplaatste takken, zodat later geen zware correcties nodig zijn. Grote snoeiwonden worden bij walnoten beter vermeden.