Karwij (Carum carvi) wordt vooral geteeld voor de sterk aromatische vruchten. Deze worden in de keuken meestal karwijzaad of kummel genoemd en hebben een kruidig, anijsachtig aroma. Ze passen onder meer bij brood, kaas, zuurkool, rode kool en andere stevige gerechten. Karwij is botanisch niet hetzelfde als komijn (Cuminum cyminum).
De plant is meestal tweejarig. Eerst ontwikkelt hij fijn ingesneden bladeren en een penwortel. De rechtopstaande, holle bloemstengels bereiken doorgaans 30 tot 60 cm. In mei en juni verschijnen kleine witte, soms lichtroze bloemen in losse schermen. Na de bloei worden langwerpige splitvruchten gevormd die bij wrijven hun kenmerkende geur vrijgeven.
Karwij groeit het best op een zonnige plaats met een vochthoudende, matig voedselrijke tot voedselrijke bodem. Een kalkhoudende grond wordt goed verdragen. Vermijd een standplaats die langdurig uitdroogt. De soort is inheems maar zeldzaam in België en is aangepast aan ons gematigde klimaat.
Nee. Karwij (Carum carvi) en komijn (Cuminum cyminum) zijn verschillende plantensoorten. De gedroogde vruchten lijken enigszins op elkaar en worden daardoor geregeld verward, maar hun aroma verschilt. Karwij heeft een uitgesproken kruidige, anijsachtige geur en wordt traditioneel verwerkt in brood, zuurkool, koolgerechten en kaas. Controleer daarom bij recepten of werkelijk karwij of komijn wordt bedoeld.
Karwij is meestal tweejarig. In het eerste groeiseizoen ontwikkelt de plant vooral bladeren en een penwortel. De bloemstengels met witte schermbloemen verschijnen doorgaans daarna. Na de bloei worden de aromatische splitvruchten gevormd. De exacte ontwikkeling kan verschillen naargelang het zaaitijdstip, de bodem en de weersomstandigheden.
Karwij groeit het best in de zon, op een vochthoudende en matig voedselrijke tot voedselrijke bodem. Een kalkhoudende grond is geschikt. De bodem mag voldoende vocht vasthouden, maar een normale afwatering blijft belangrijk. Langdurig droge grond is minder passend bij de natuurlijke groeivoorkeur van deze soort.
Vooral de gedroogde splitvruchten worden als specerij gebruikt. In het dagelijkse taalgebruik heten deze meestal karwijzaad of kummel, hoewel het botanisch om vruchtjes gaat. Bij wrijven komt een sterk aromatische geur vrij. Ze worden onder meer toegevoegd aan brood, zuurkool, rode kool, kaas en ingemaakte groenten.
Ja. Carum carvi is van oorsprong een soort uit gematigde delen van Europa en komt ook in België in het wild voor, zij het zeldzaam. De plant kan daarom buiten worden geteeld in ons klimaat. Een passende bodem en standplaats blijven belangrijker dan winterbescherming: kies bij voorkeur een zonnige plek met vochthoudende, voldoende voedselrijke grond.