- All products
- Sierplanten
- Bijenplanten
- GYMNOCLADUS DIOICA
- Bijenplanten
Open kroon en opvallend groot blad
De doodsbeenderenboom (Gymnocladus dioica) ontwikkelt een losse, onregelmatige kroon met dikke, weinig vertakte hoofdtakken. Door deze grove takstructuur blijft het silhouet ook na de bladval herkenbaar. De donkergrijze stam wordt op latere leeftijd ruw en diep gegroefd.
Het dubbel geveerde blad kan 70 tot 100 cm lang worden en bestaat uit talrijke eironde deelblaadjes. Ondanks de grote bladeren oogt de kroon vrij open. De boom loopt opvallend laat uit, draagt in de zomer groen blad en krijgt doorgaans een gele herfstkleur.
Bloei en peulen
In juni verschijnen witachtige bloemen in pluimen. Gymnocladus dioica is tweehuizig: mannelijke en vrouwelijke bloemen groeien op afzonderlijke bomen. Alleen vrouwelijke exemplaren kunnen na bestuiving dikke, bruine peulen vormen. Deze harde peulen blijven vaak tot in de winter aan de takken hangen, maar vruchtvorming kan bij een afzonderlijk aangeplant exemplaar niet worden gegarandeerd.
Standplaats en toepassing
Deze forse loofboom vraagt een zonnige plaats met voldoende ruimte voor zijn brede kroon. Een vochthoudende maar goed doorlatende bodem geeft de beste groei. Tijdelijk hoge waterstanden worden verdragen, maar langdurig natte, slecht doorluchte grond is ongunstig.
Door zijn uiteindelijke omvang past de doodsbeenderenboom vooral als solitaire boom in een ruim gazon, park of grote tuin. Voor kleine tuinen en volledig verharde plantplaatsen is hij minder geschikt. De soort is goed winterhard in Belgische omstandigheden.
Nee, doorgaans niet. De doodsbeenderenboom groeit uit tot een forse boom met een brede, open kroon en heeft zowel boven als onder de grond voldoende ruimte nodig. In cultuur bereikt hij vaak ongeveer 15 tot 20 meter, al kunnen oudere exemplaren groter worden. Hij komt het best tot zijn recht als solitaire boom in een groot gazon, park of ruime tuin. Dicht bij gebouwen, perceelsgrenzen of kleine terrassen is zijn uiteindelijke omvang meestal een beperking.
Dat hoeft niet op een probleem te wijzen. Gymnocladus dioica is tweehuizig, wat betekent dat mannelijke en vrouwelijke bloemen op afzonderlijke bomen voorkomen. Alleen een vrouwelijk exemplaar kan peulen dragen en daarvoor is bestuiving door een mannelijk exemplaar nodig. Daarnaast bloeien jonge bomen meestal nog niet. Zonder kennis van het geslacht en zonder een geschikte bestuiver in de omgeving kan de vorming van de dikke bruine peulen daarom niet worden gegarandeerd.
De late bladontwikkeling is een normale eigenschap van de soort. In het voorjaar blijft de grove, vrijwel kale takstructuur daardoor langer zichtbaar dan bij veel andere loofbomen. Dit betekent niet dat de boom afgestorven is. Controleer bij twijfel of de twijgen nog soepel zijn en onder de bast groen weefsel tonen. Zodra het blad verschijnt, ontwikkelen zich zeer grote, dubbel geveerde bladeren die de open kroon een opvallend lichte structuur geven.
De doodsbeenderenboom groeit het best in een diepe, vochthoudende en goed doorlatende bodem. Zowel zand-, leem- als kleigrond kan geschikt zijn wanneer overtollig water voldoende kan wegzakken. De boom verdraagt tijdelijk een hoge waterstand, maar aanhoudend natte en zuurstofarme grond verhoogt het risico op wortelproblemen. Voorzie bij aanplant een ruime, open boomspiegel; een volledig verharde standplaats is minder geschikt voor deze soort.
Een ruime afstand tot het terras is aangewezen. Gymnocladus dioica wordt een grote boom en ontwikkelt een brede kroon. Bovendien groeit hij minder goed wanneer de wortelzone grotendeels met gesloten verharding bedekt is. Kies daarom een plantplaats met voldoende open grond waarin regenwater en lucht de wortels kunnen bereiken. Houd ook rekening met de grote bladeren en, bij vrouwelijke bomen, de zware peulen die in de omgeving van de kroon kunnen vallen.