- All products
- Sierplanten
- Bomen
- Meerstammige
- CORNUS ALTERNIFOLIA MEERSTAM
- Meerstammige
Gelaagde groei vanuit meerdere stammen
De pagodekornoelje (Cornus alternifolia) onderscheidt zich door zijn vrijwel horizontale takken, die in duidelijke etages boven elkaar groeien. Bij deze meerstammige vorm begint die karakteristieke vertakking laag bij de grond. De plant groeit op termijn breed uit en komt daarom het best tot zijn recht als solitaire boom of grote heester met voldoende vrije ruimte.
In mei verschijnen kleine, roomwitte bloemen langs de takken. Daarna kunnen blauwzwarte vruchten ontstaan die door vogels worden gegeten. Het groene blad krijgt in de herfst een gevarieerde verkleuring van geel tot rood en purper. Na de bladval blijft de gelaagde takstructuur duidelijk zichtbaar.
Standplaats en bodem
Cornus alternifolia groeit goed in de zon tot halfschaduw. In volle zon moet de bodem voldoende vochthoudend blijven. Een humusrijke, licht zure tot neutrale grond die overtollig water goed afvoert, biedt de beste groeiomstandigheden. Langdurige droogte en een verdichte of blijvend natte bodem zijn minder geschikt.
Beperk snoei tot het verwijderen van dood, beschadigd of storend hout. Sterke vormsnoei verstoort gemakkelijk de natuurlijke etagebouw, die juist het belangrijkste kenmerk van deze pagodekornoelje vormt.
Voorzie vooral voldoende ruimte in de breedte. De vrijwel horizontale gesteltakken groeien in etages en mogen niet tegen een gevel, afsluiting of naburige boom worden gedrukt. Afhankelijk van de groeiplaats kan de pagodekornoelje ongeveer 4 tot 8 meter hoog worden. In een kleinere tuin is hij alleen geschikt wanneer de kroon vrij kan uitgroeien. Regelmatig terugsnoeien om de plant smal te houden doet afbreuk aan zijn natuurlijke vorm.
Ja, maar alleen wanneer de bodem voldoende vochthoudend blijft. Op een warme, snel uitdrogende standplaats is halfschaduw doorgaans geschikter. Vermijd bij voorkeur een plek waar de plant wordt blootgesteld aan felle middagzon in combinatie met droge grond. Geef tijdens de eerste jaren water bij langdurige droogte, zodat de wortels zich goed kunnen ontwikkelen. Een laag organische mulch helpt om het bodemvocht gelijkmatiger te houden.
Snoei zo weinig mogelijk, omdat zware snoei de horizontale etagebouw kan verstoren. Verwijder uitsluitend dode, beschadigde, kruisende of duidelijk naar binnen groeiende takken. Zaag een volledige storende tak terug tot aan de aanhechting in plaats van alle uiteinden in te korten. Controleer ook of één stam de andere stammen volledig gaat overheersen. Door beperkt en gericht te snoeien blijft de open, meerstammige structuur het best behouden.
Na een goede bloei kunnen kleine blauwzwarte vruchten ontstaan. De vruchtzetting kan van jaar tot jaar verschillen en hangt onder meer samen met het weer tijdens de bloei. De vruchten worden door vogels gegeten en geven de plant extra sierwaarde in de zomer. Ze zijn echter niet de voornaamste reden om deze soort aan te planten; de horizontale takstand, roomwitte bloei en herfstverkleuring blijven de belangrijkste kenmerken.
Een humusrijke, licht zure tot neutrale bodem die vocht vasthoudt maar goed afwatert, is het meest geschikt. Zandgrond kan worden verbeterd met organisch materiaal om snelle uitdroging te beperken. Op zware grond is een luchtige bodemstructuur belangrijk, omdat stilstaand water rond de wortels ongunstig is. Plant niet in sterk verdichte grond en dek de wortelzone bij voorkeur af met compost of bladmulch, zonder dit tegen de stammen op te hopen.