- All products
- Sierplanten
- Bomen
- Naaldbomen
- CEDRUS ATLANTICA
- Naaldbomen
Groeiwijze en naalden
De atlasceder (Cedrus atlantica) groeit uit tot een forse, breed vertakte naaldboom. Jonge bomen hebben doorgaans een kegelvormige kroon. Naarmate de boom ouder wordt, gaan de hoofdtakken meer horizontaal staan en wordt de kroon breder en vlakker. De blauwgroene naalden blijven het hele jaar aanwezig.
Door zijn uiteindelijke omvang is deze ceder vooral geschikt als solitaire boom in een grote tuin of park. Geef hem vanaf de aanplant voldoende ruimte, zodat de karakteristieke takkenstructuur zich zonder zware snoei kan ontwikkelen.
Standplaats en bodem
Cedrus atlantica groeit in de zon tot halfschaduw. De bodem moet diep doorwortelbaar en goed doorlatend zijn. Droge tot licht vochtige leem- en zandgronden zijn geschikt, maar verdichte grond en natte, zware klei worden slecht verdragen.
Een gevestigde boom kan droge perioden doorstaan wanneer de wortels water uit diepere bodemlagen halen. Op ondiepe of sterk uitdrogende grond kan langdurige droogte echter tot kroonsterfte leiden. Geef jonge bomen en recent aangeplante exemplaren daarom tijdig water tijdens droge zomers.
Winterhardheid en onderhoud
De atlasceder is doorgaans voldoende winterhard voor België. Jonge bomen zijn gevoeliger voor langdurige koude en late voorjaarsvorst. Een standplaats die niet in een uitgesproken vorstkom ligt, beperkt dit risico.
Regelmatige snoei is niet nodig. Verwijder alleen dode, beschadigde of hinderlijke takken en vermijd ingrijpende vormcorrecties zodra de boom groot is. Een doordachte plaatskeuze bij de aanplant blijft daarom belangrijk.
Nee, doorgaans niet. De atlasceder wordt uiteindelijk een hoge en vooral brede boom met zware, horizontaal groeiende takken. In een kleine tuin ontstaat daardoor later vaak ruimtegebrek, zelfs wanneer de jonge boom aanvankelijk bescheiden oogt. Kies deze soort alleen wanneer de kroon zich op lange termijn vrij kan ontwikkelen en voldoende afstand tot gebouwen, perceelsgrenzen en andere grote bomen mogelijk is.
Dat kan wanneer de zandgrond voldoende diep doorwortelbaar is en niet extreem uitdroogt. Een gevestigde atlasceder haalt water uit diepere bodemlagen, maar blijft tijdens droogte verdampen. Op ondiepe, verdichte of zeer droge zandgrond kan daardoor droogtestress ontstaan. Geef jonge en recent aangeplante bomen tijdens langdurige droge perioden ruim water, zodat het vocht ook de diepere wortelzone bereikt.
Natte, dichte kleigrond is niet geschikt voor Cedrus atlantica. De wortels hebben een goed doorlatende en voldoende luchtige bodem nodig. Op langdurig natte of verdichte grond neemt de kans op wortelproblemen en een verminderde groei toe. Op leemhoudende grond kan de soort wel groeien, op voorwaarde dat overtollig water vlot wegzakt en de bodem diep doorwortelbaar blijft.
Een gevestigde atlasceder is doorgaans voldoende winterhard voor het Belgische klimaat. Vooral jonge bomen kunnen gevoeliger zijn voor langdurige koude en late voorjaarsvorst. Plant bij voorkeur niet in een lage, afgesloten plek waar koude lucht blijft hangen. Een goed doorlatende bodem is ook in de winter belangrijk, omdat een combinatie van koude en aanhoudend natte grond ongunstig is.
Nee. Cedrus atlantica ontwikkelt van nature een herkenbare kroon en vraagt geen regelmatige vormsnoei. Beperk het onderhoud tot het verwijderen van dode, beschadigde of kruisende takken. Zware correcties kunnen de natuurlijke takkenstructuur blijvend verstoren. Omdat de boom op termijn veel ruimte inneemt, is een ruime standplaats doeltreffender dan proberen de kroon door terugkerende snoei klein te houden.