- Alle Produkte
- Sierplanten
- Bomen
- Treurvorm
- SEQUOIADENDRON GIGANTEUM 'PENDULUM'
- Treurvorm
De treurmammoetboom (Sequoiadendron giganteum 'Pendulum') onderscheidt zich door zijn sterk afhangende takken en onregelmatig golvende hoofdstam. Sommige gesteltakken groeien eerst zijdelings, terwijl de fijne twijgen vrijwel recht naar beneden hangen. Geen twee exemplaren ontwikkelen daardoor exact dezelfde vorm.
Deze wintergroene conifeer wordt doorgaans 10 tot 15 m hoog, maar blijft met een breedte van ongeveer 3 tot 4 m opvallend smal. De korte, blauwgroene tot groene naalden staan dicht op de twijgen. Op latere leeftijd krijgt de stam een zachte, vezelige roodbruine schors met diepe groeven.
'Pendulum' komt het best tot zijn recht als solitaire boom in een grote tuin of park, waar de kroon zich zonder vormsnoei kan ontwikkelen. Kies meteen een definitieve plantplaats: oudere exemplaren laten zich door hun diepgaande beworteling moeilijk verplanten.
Plant deze mammoetboom bij voorkeur in de zon, op een voedselrijke bodem die voldoende vocht vasthoudt. Een beschutte plaats is aangewezen omdat koude wind schade kan veroorzaken. De boom verdraagt verharding rond de stam minder goed en heeft voldoende open bodemruimte nodig.
Sequoiadendron giganteum 'Pendulum' wordt doorgaans 10 tot 15 m hoog en ongeveer 3 tot 4 m breed. Daarmee blijft deze cultivar veel smaller dan de gewone mammoetboom, maar hij vraagt door zijn uiteindelijke hoogte nog altijd een ruime standplaats. De kroon groeit niet strak rechtop: de hoofdstam en gesteltakken kunnen golven, waardoor de benodigde ruimte per exemplaar enigszins verschilt.
Alleen wanneer er voldoende verticale ruimte en minstens enkele meters vrije kroonruimte beschikbaar zijn. De boom blijft relatief smal, maar kan uiteindelijk 10 tot 15 m hoog worden. Plaats hem niet dicht bij een gevel, perceelsgrens of verharding. In een kleine stadstuin is een compacter blijvende treurconifeer doorgaans een geschiktere keuze.
De cultivar is matig bestand tegen koude wind. Vooral een open standplaats met aanhoudende oosten- of noordoostenwind kan tijdens vorstperioden schade aan jonge groei veroorzaken. Een zonnige plaats met beschutting van een gebouw, haag of grotere beplanting is daarom veiliger. Vermijd daarbij een volledig ingesloten plek waar de kroon onvoldoende ruimte heeft om zich te ontwikkelen.
Een jong exemplaar kan met een goed voorbereide kluit worden verplant, maar oudere bomen reageren hier minder goed op. De mammoetboom ontwikkelt een diepgaand wortelstelsel, waardoor bij het uitgraven belangrijke wortels verloren kunnen gaan. Kies daarom bij de eerste aanplant een definitieve plaats met voldoende open bodemruimte en houd rekening met de uiteindelijke hoogte en kroonbreedte.
Gewoonlijk is weinig snoei nodig. De golvende stam en onregelmatig hangende takken vormen het karakter van deze cultivar; sterke vormsnoei maakt de natuurlijke habitus minder herkenbaar. Beperk ingrepen bij voorkeur tot het verwijderen van dode, beschadigde of hinderlijk kruisende takken. Houd bij de aanplant meteen voldoende ruimte vrij, zodat later geen zware correcties nodig zijn.