Egelboterbloem (Ranunculus flammula) is een overblijvende plant van natte graslanden, vennen, slotkanten en moerassen. De groei is fijn en eerder los, met opstijgende of plaatselijk liggende stengels. Gewoonlijk wordt de plant 10 tot 45 cm hoog.
Van juni tot oktober verschijnen kleine, glanzend gele boterbloemen boven het smalle, ongedeelde blad. Liggende stengeldelen kunnen op de knopen wortelen, maar de plant vormt geen echte ondergrondse uitlopers.
Standplaats en toepassing
Ranunculus flammula groeit het best in de zon of lichte halfschaduw, op natte en humusrijke grond die voedselarm tot matig voedselrijk is. Een zure tot neutrale, doorgaans kalkarme bodem sluit het best aan bij zijn natuurlijke groeiplaats. De plant is geschikt voor een vochtige vijverrand, moeraszone, wadi of slootkant. Op gewone tuingrond die in de zomer uitdroogt, houdt hij minder goed stand.
Het bovengrondse loof sterft tijdens de winter grotendeels af. Afgestorven stengels kunnen in het late najaar of vroege voorjaar worden verwijderd. Zoals bij andere boterbloemen kan het verse plantensap irriterend en giftig zijn; draag daarom bij voorkeur handschoenen bij het verplanten of terugknippen.